X  
X Twee belangrijke bronnen die in samenspraak met alle Europese partners de opdrachtverklaringen uittekenen zijn heel belangrijk naar de toekomst toe. Deze zijn de 'Sorbonneverklaring' en het 'Verdrag van Bologna'.

In het eerste geval waren het slechts 4 ministers van Onderwijs die aan de bel trokken en dat ter gelegenheid van het 800 jarig bestaan van de Sorbonne, de Parijse universiteit.  In Bologna waren het echter bijna al de ministers van onderwijs van de verschillende Euiropese landen die gezamenlijk tot een akkoord kwamen om krachtlijnen neer te schrijven voor een geïntegreerd hoger onderwijs in Europa. Zij probeerden een eerste keer te komen tot een nieuw zicht op het hoger onderwijs waarbij in elk geval één ding voor ons duidelijk is. 'Naast de universiteiten bestaat er ook een ander hoger onderwijs dat niet 'slechter', 'lager' of 'gemakkelijker' is dan het universitair onderwijs.  Dat hoger onderwijs maakt samen met de universiteiten deel uit van een maatschappelijk gegeven: het geintegreerde hoger onderwijs, waarbij complemen- tariteit een belangrijk gezichtspunt is'. 

Een andere interessante webpagina over deze verklaringen is: http://www.rug.ac.be/opening99/rector.html
Hieronder een aantal publicaties uit het onderwijsmaandblad KLASSE

-----------------------------

Publicatie - oktober 2001

Zie website KLASSE - je commentaar is welkom

Hoger onderwijs
Van Babel naar bachelor


Beeld
De hogescholen en universiteiten moeten de eerste cyclus van hun tweecycli-opleidingen omvormen tot opleidingen van drie jaar om bachelor-diploma's te kunnen uitreiken.


Een schoolloopbaanbegeleider anno 2001: «Een opleiding economie van twee cycli aan de universiteit is academisch. Een opleiding handelswetenschappen van twee cycli aan een hogeschool is wel wetenschappelijk en van academisch niveau, maar meer toegepast.» Een aspirant-student: «Waarom heet de opleiding aan de universiteit dan 'toegepaste economische wetenschappen'?»

Dat het Vlaamse hoger onderwijs niet doorzichtig is, ondervindt elke leerkracht die zijn achttienjarige leerlingen wegwijs wil maken in het aanbod aan opleidingen. Ook elk industrieel ingenieur die zijn diploma in het buitenland tracht te laten erkennen, kan als individu niet hard maken dat zijn vierjarige opleiding evenveel krediet biedt dat hij werk van kwaliteit zal afleveren.

Komt er een eind aan de babelse verwarring over het Vlaamse hoger onderwijs? Dat zou kunnen als de Vlaamse regering het voorontwerp van decreet van minister Vanderpoorten goedkeurt en het Vlaams Parlement vervolgens het ontwerp van decreet.

«Het onderscheid tussen academische tweecycli-opleidingen aan de universiteiten en tweecycli-opleidingen van academisch niveau aan de hogescholen is niet langer houdbaar», beaamt de minister. «Niet alleen Vlaanderen, heel Europa heeft behoefte aan een doorzichtig hoger onderwijslandschap en een leesbare diplomastructuur. Vrij verkeer van gediplomeerden verhoogt de welvaart en is behalve economisch ook cultureel goed. Het bevordert de vorming van een open en verdraagzaam Europa. De Angelsaksische undergraduate-graduate-structuur met zijn bachelors en masters is zo'n doorzichtige diplomastandaard. In 1996 nam Europa zich in Bologna voor hem voor 2006 in te voeren. Vlaanderen leek eerst wat afwachtend maar neemt nu een voortrekkersrol op zich.»

Critici zeggen dat alle opleidingen ter wereld eenheidsworst zullen afleveren.

Marleen Vanderpoorten: «Afgestudeerde bachelors en masters moeten overal in Europa met dezelfde minimale basiscompetenties afstuderen. Dat betekent niet dat hun opleidingen identiek moeten zijn. Instellingen met vergelijkbare opleidingen moeten samen nagaan in welke mate ze aan de standaarden voldoen die ze zichzelf samen met de overheid opleggen. Dat heet een accrediteringssysteem. Als dat niet het geval is, verliezen ze alle krediet en zal de overheid de diploma's die ze afleveren niet langer erkennen.»

Sommigen vrezen dat de kwaliteit van het Vlaamse hoger onderwijs erop achteruit zal gaan.

Marleen Vanderpoorten: «Ons hoger onderwijs presteert goed. Volgens mij biedt de hervorming de kans het nog te versterken en internationaal te laten waarderen.»

Dat u de opleidingen van twee cycli aan hogescholen nu 'academiseert', met andere woorden als evenwaardig erkent als universitaire opleidingen, zorgt wel voor enkele oprispingen in die kringen.

Marleen Vanderpoorten: «Er was een breed debat. De Vlaamse Interuniversitaire Raad (Vlir) en de Vlaamse Hogescholenraad (Vlhora) gaven niet zo'n uiteenlopende adviezen. Alle opleidingen die de vooropgestelde standaarden bereiken, zullen bachelor- en masterdiploma's mogen afleveren.»

De hogeschoolopleidingen van één cyclus mogen voortaan na drie jaar bachelordiploma's afleveren, de universiteiten moeten hun kandidaturen eerst nog ombouwen.

Marleen Vanderpoorten: «De overgangsregeling bepaalt dat alle einddiploma's vanaf 2002-2003 de nieuwe benamingen bachelor en master dragen. De huidige driejarige ééncyclusopleidingen leiden naar een einddiploma, de tweede cyclus van tweecycli-opleidingen ook. De hogescholen en universiteiten moeten de eerste cyclus van hun tweecycli-opleidingen omvormen tot opleidingen van drie jaar om bachelor-diploma's te kunnen uitreiken. De graad van bachelor heeft een finaliteit. Wie met dat diploma afstudeert en naar de arbeidsmarkt gaat, moet daartoe gekwalificeerd zijn. De huidige eerste cycli zijn op doorstroming naar de tweede cyclus gericht en daardoor veeleer abstract dan concreet. Ze zullen een nieuw profiel krijgen. Net zoals alle opleidingen zich opnieuw zullen moeten profileren.»

Het hogescholendecreet van 1994 zette tot fusies van hogescholen aan, nu zet u tot alweer tot associaties aan.

Marleen Vanderpoorten: «Associaties zijn geen fusies. Die associaties van universiteiten en hogescholen zijn nodig opdat zij samen aan kwaliteitszorg en accreditering zouden kunnen doen, maar ook omdat de geacademiseerde tweecycli-opleidingen van hogescholen meer dan tot nu toe structureel aan onderzoek moeten gaan doen. Een academische opleiding zonder onderzoekspoot kan niet. Het wetenschappelijk onderzoek en de koek van de Vlaamse budgetten ervoor nog gaan versplinteren, wensen wij niet. De overheid wil beheersovereenkomsten sluiten met de associaties. De partners in die associaties, hogescholen en universiteiten, bouwen dan samen onder meer hun onderzoek uit. Elke instelling behoudt echter haar onderwijsbevoegdheid. De overheid financiert de instellingen. De student schrijft zich in bij de instelling, niet bij de associatie, en krijgt van de instelling een diploma, niet van de associatie.»

De hogescholen klagen sinds 1994 dat ze de hervorming zonder extra financiering moeten rooien. Is dat nu anders?

Marleen Vanderpoorten: «We voorzien in extra middelen om de associaties slagkracht te geven. Er komt een optimalisatiefonds voor de hogescholen dat groeit van 50 miljoen in 2002 tot 600 miljoen in 2006. De helft van dat geld komt uit de enveloppen van hogescholen, de helft is bijkomende overheidssubsidiëring. In 2007 komt er een nieuw financieringsmodel voor hogescholen én universiteiten. Tijdens de overgangsperiode van 2002 tot 2006 bevriezen we de enveloppefinanciering van de hogescholen. Zo zijn ze - net als de universiteiten - niet langer afhankelijk van het aantal inschrijvingen. Elke hogeschool kreeg tot nu toe een werkingsenveloppe en middelen voor investeringen. Daar bovenop krijgen zij nu ook - via de associaties - meer middelen om onderzoek te doen in hun tweecycliopleidingen. Rechtstreeks krijgen ze meer middelen om maatschappelijke en technologische diensten te leveren aan de maatschappij. Hoe ze die besteden beslist wel de hele associatie. Vooral ééncyclusopleidingen hebben een rol te spelen in deze dienstverlening en het permanent vormingsaanbod.»

Het hoger volwassenenonderwijs zit op het ogenblik toch vooral buiten de hogescholen?

Marleen Vanderpoorten: «Dat is juist. In de toekomst zullen opleidingen van het 'hoger onderwijs korte type voor sociale promotie' aan de accrediteringsprocedures kunnen deelnemen. Een geaccrediteerde opleiding kan zich in het tertiair onderwijs integreren. Zoniet gaat ze met andere vormen van voortgezet secundair onderwijs deel uitmaken van een nieuwe 'volwasseneneducatie op postsecundair niveau'.»

Sommigen vrezen dat in Vlaanderen de democratisering van het tertiair onderwijs erop achteruit zal gaan.

Marleen Vanderpoorten: «Dat spreek ik tegen. Het voorstel biedt integendeel nieuwe kansen om rekening te houden met ieders capaciteiten en meer mensen aan hogescholen en universiteiten te laten studeren. Erkenning van leerervaringen buiten het hoger onderwijs, uitbouw van bruggen tussen opleidingen, een hervormd systeem van studietoelagen en sociale voorzieningen en een goed European Credit Transfer System zullen daartoe bijdragen.»

-----------------------------

Publicatie - november 2000

Zie website KLASSE - je commentaar is welkom

Hoger onderwijs
De verklaring van «Sorbogna»


Een grotere eenheid van het hoger onderwijs in Vlaanderen nastreven. Alle studenten gelijkwaardig behandelen, de werking van de hogescholen beter financieren en de Sociale Voorzieningen voor universiteits- en hogeschoolstudenten gelijkschakelen. Deze eisen vallen op in het Jaarverslag 1999 van de Vlaamse Hogescholenraad (Vlhora).

De Vlhora stelde zich in 1999 strijdbaar op met een Herstelplan voor het Vlaamse hogescholenonderwijs, een Memorandum verkiezingen en een Open Brief aan de Vlaamse regering. Volgens de raad werd onvoldoende tegemoetgekomen aan de eisen van hogescholen en hogeschoolstudenten, op de kleine structurele verhoging van de enveloppe met 3,095 procent na. Die verhoging is niet groot genoeg voor de bekende kosten: TBS55+, vergrijzing, 80/20-norm, stijgend studentenaantal, informatisering, infrastructuur na de fusies en maatschappelijke dienstverlening. In 2000 zijn dezelfde prioriteiten aan de orde.

De Vlhora wil ook dezelfde verlofstelsels aan universiteiten en hogescholen en één onderhandelingscomité voor het hele hoger onderwijs. De vakbonden behandelen de kwesties van het hogeschoolpersoneel liever samen met het secundair onderwijs.

1999 was ook het jaar van het debat over Sorbonne- en Bolognaverklaringen, soms al eens Sorbogna genoemd. De Vlhora wil de opleidingen van twee cycli naar de bachelor-masterstructuur omzetten. Aan de één cyclus opleidingen wil de raad een bachelor degree (na 180 studiepunten) verbinden. Met finaliteit voor de arbeidsmarkt voor de professional bachelor, maar doorstromingsmogelijkheden naar master voor de academic bachelor. Een master omvat ook een bedrijfsstage (60 studiepunten) en dissertatie (30 studiepunten). Het aantal basisopleidingen mag beperkt zijn, zolang de studenten maar langs veel flexibele leerroutes credits kunnen verzamelen.

De Vlhora is een Instelling van Openbaar Nut die aan de Vlaamse Regering voorstellen doet. De hogescholen riepen de raad al in 1995 in leven, op het moment dat het hogescholendecreet in werking trad. In de algemene vergadering overleggen de algemeen directeurs van de hogescholen - ondertussen nog 28, 4 vrouwen en 24 mannen - over alles wat het hoger onderwijs in Vlaanderen aanbelangt, ook de internationale perspectieven.

 

-----------------------------

Sorbonneverklaring. Déclaration de la Sorbonne. 25 mei 1998.

Naar aanleiding van de 800ste verjaardag van de Sorbonne schreven vier invloedrijke ministers van Onderwijs de volgende tekst vanuiit de zorg dat er naast de universiteiten ook ander hoger onderwijs bestaat...

Harmoniser l'architecture du système européen d'enseignement supérieur.

A l'occasion du 800ème anniversaire de l'Université de Paris, déclaration conjointe des quatre ministres en charge de l'enseignement supérieur en Allemagne, en France, en Italie et au Royaume-Uni.

Paris, en Sorbonne, le 25 mai 1998

La construction européenne a tout récemment effectué des progrès très importants. Mais si pertinents que soient ces progrès, ils ne doivent pas nous faire oublier que l'Europe que nous bâtissons n'est pas seulement celle de l'Euro, des banques et de l'économie ; elle doit être aussi une Europe du savoir. Nous devons renforcer et utiliser dans notre construction les dimensions intellectuelles, culturelles, sociales et techniques de notre continent. Elles ont été, dans une large mesure, modelées par ses universités, qui continuent à jouer un rôle central dans leur développement.

Les universités sont nées en Europe, pour certaines depuis environ trois quarts de millénaire. Nos quatre pays sont fiers de posséder quelques unes des plus anciennes, qui célèbrent en ce moment d'importants anniversaires, comme le fait aujourd'hui l'université de Paris. Autrefois, étudiants et professeurs circulaient librement et disséminaient rapidement leur savoir à travers le continent. Aujourd'hui, il existe encore un trop grand nombre de nos étudiants qui obtiennent leurs diplômes sans avoir bénéficié d'une période d'études en dehors des frontières nationales.

Nous abordons une période de changements majeurs dans l'éducation, dans les conditions de travail, une période de diversification du déroulement des carrières professionnelles ; l'éducation et la formation tout au long de la vie deviennent une évidente obligation. Nous devons à nos étudiants et à notre société dans son ensemble un système d'enseignement supérieur qui leur offre les meilleures chances de trouver leur propre domaine d'excellence.

Un espace européen ouvert de l'enseignement supérieur offre d'abondantes perspectives positives, tout en respectant, bien sûr, nos diversités, mais exige par ailleurs des efforts vigoureux pour abolir les barrières et développer un cadre d'enseignement, afin de promouvoir la mobilité et une coopération toujours plus étroite.

La reconnaissance internationale et le potentiel attractif de nos systèmes sont directement liés à leur lisibilité en interne et à l'extérieur. Un système semble émerger, dans lequel deux cycles principaux - pré-licence et post-licence - devraient être reconnus pour faciliter comparaisons et équivalences au niveau international.

Une grand part de l'originalité et de la souplesse d'un tel système passeront, dans une large mesure, par l'utilisation de "crédits" (comme dans le schéma ECTS) et de semestres. Cela permettra la validation des crédits acquis par ceux qui choisiraient de conduire leur éducation, initiale ou continue, dans différentes universités européennes et souhaiteraient acquérir leurs diplômes à leur rythme, tout au long de leur vie. En fait, les étudiants devraient pouvoir avoir accès au monde universitaire à n'importe quel moment de leur vie professionnelle, en venant des milieux les plus divers.

Dans le cycle conduisant à la licence, les étudiants devraient se voir offrir des programmes suffisamment diversifiés, comprenant notamment la possibilité de suivre des études pluridisciplinaires, d'acquérir une compétence en langues vivantes et d'utiliser les nouvelles technologies de l'information.

La reconnaissance internationale du diplôme couronnant le cycle pré-licence comme niveau pertinent de qualification est importante pour le succès de ce projet, par lequel nous souhaitons rendre transparents nos systèmes d'enseignement supérieur.

Dans le cycle postérieur à la licence, il y aurait le choix entre un diplôme plus court de "master" et un doctorat plus long, en ménageant les passerelles entre l'un et l'autre. Dans les deux diplômes, on mettrait l'accent, comme il convient, sur la recherche et le travail individuel.

Aux deux niveaux - pré-licence et post-licence - les étudiants seraient encouragés à passer un semestre au moins dans des universités étrangères. En même temps, un plus grand nombre d'enseignants et de chercheurs devraient travailler dans des pays européens autres que le leur. Le soutien croissant de l'Union européenne à la mobilité des étudiants et des professeurs devrait être pleinement utilisé.

La plupart des pays, et pas seulement à l'intérieur de l'Europe, ont désormais pleinement conscience du besoin de promouvoir cette évolution. Les Conférences de recteurs européens, des présidents d'universités, des groupes d'experts et d'universitaires, dans nos pays respectifs, se sont engagées dans une vaste réflexion en ce sens.

Une convention sur la reconnaissance des qualifications universitaires en Europe a été signée l'an dernier à Lisbonne. Cette convention établit un certain nombre de conditions de base, tout en reconnaissant que les pays, de leur côté, pouvaient s'engager dans des projets encore plus constructifs. Partant de ces conclusions, nous pouvons les utiliser pour aller plus loin. Il existe déjà beaucoup de points communs pour cette reconnaissance mutuelle des diplômes d'enseignement supérieur à des fins professionnelles, à travers les directives de l'Union européenne.

Nos gouvernements, cependant, continuent à avoir un rôle significatif à jouer en ce sens, en encourageant tous les moyens de valider les connaissances acquises et de mieux reconnaître nos diplômes respectifs. Nous comptons promouvoir ainsi des accords interuniversitaires allant dans ce sens. L'harmonisation progressive des structures d'ensemble de nos diplômes et de nos cycles d'études sera rendue possible par un renforcement de l'expérience existante, par des diplômes conjoints, des projets-pilotes et par un dialogue avec toutes les parties concernées.

Nous nous engageons ici à encourager l'émergence d'un cadre commun de référence, visant à améliorer la lisibilité des diplômes, à faciliter la mobilité des étudiants ainsi que leur employabilité. L'anniversaire de l'université de Paris, qui se déroule aujourd'hui en Sorbonne, nous offre l'occasion solennelle de nous engager dans cet effort de création d'un espace européen de l'enseignement supérieur, où puissent entrer en interaction nos identités nationales et nos intérêts communs, où nous nous renforcions les uns les autres pour le profit de l'Europe, de ses étudiants, et plus généralement de ses citoyens. Nous lançons un appel aux autres États-membres de l'Union, aux autres pays de l'Europe pour nous rejoindre dans cet objectif, à toutes les universités européennes pour consolider la place de l'Europe dans le monde en améliorant et en remettant sans cesse à jour l'éducation offerte à ses citoyens.

  Claude Allègre Ministre de
l'Éducation Nationale,
de la Recherche et
de la Technologie (France)
Luigi Berlinguer Ministre de l'Instruction Publique de l'Université et de la Recherche (Italie) Tessa Blackstone Ministre de l'Enseignement Supérieur
(Royaume Uni)
Jürgen Ruettgers Ministre de l'Éducation, des Sciences, de la Recherche et de la Technologie (Allemagne)

-----------------------------

Overeenkomst van Bologna - Agreement of Bologna - 19 juni 1999

Op 19 juni 1999 keurden zowat alle Europese ministers de volgende verklaring goed :

The European process, thanks to the extraordinary achievements of the last few years, has become an increasingly concrete and relevant reality for the Union and its citizens. Enlargement prospects together with deepening relations with other European countries provide even wider dimensions to that reality. Meanwhile, we are witnessing a growing awareness in large parts of the political and academic world and in public opinion of the need to establish a more complete and far -reaching Europe, in particular building upon and strengthening its intellectual, cultural, cultural, social and scientific and technological dimensions.

A Europe of Knowledge is now widely recognised as an irreplaceable factor for social and human growth and as an indispensable component to consolidate end enrich the European citizenship, capable of giving its citizens the necessary competencies to face the challenges of the new millennium, together with an awareness of shared values and belonging to a common social and cultural space.

The importance of education and educational co-operation in the development and strengthening of stable, peaceful and democratic societies is universally acknowledged as paramount, the more so in view of the situation in South East Europe.

The Sorbonne declaration of 25th of May 1998, which was underpinned by these considerations, stressed the Universities' central role in developing European cultural dimensions. It emphasised the creation of the European area of higher education es a key way to promote citizens' mobility and employability and the Continent's overall development.

Several European countries have accepted the invitation to commit themselves to achieving the objectives set out in the declaration, by signing it or expressing their agreement in principle. The direction taken by several higher education reforms launched in the meantime in Europe has proved many Goverments' determination to act.

European higher education institutions, for their part, have accepted the challenge and taken up a main role in constructing the European area of higher education, also in the wake of the fundamental principles laid down in the Bologna Magna Charta Universitatum f 1988. This is the highest importance, given that Universities' independence and autonomy ensure that higher education and research systems continuously adapt to changing needs, society's demands and advances in scientific knowledge.

The course has been set in the right direction and with meaningful purpose. The achievement of greater compatibility and comparability of the systems of higher education nevertheless requires continual momentum in order to be fully accomplished. We need to support it through promoting concrete measures to achieve tangible forward steps. The 18th June meeting saw participation by authoritative experts and scholars from all our countries and provides us with very useful suggestions on the initiatives to be taken.

We must in particular look at the objective of increasing the international competitiveness of the European system of higher education. The vitality and efficiency of any civilisation can be measured by the appeal that its culture has for other countries. We need to ensure that the European higher education system acquires a worldwide degree of attraction equal to our extraordinary cultural and scientific traditions.

While affirming our support to the general principles laid down in the Sorbonne declaration, we engage in co-ordinating our policies to reach in the short term, and in any case within the first decade of the third millennium, the following objectives, which we consider to be of primary relevance in order to establish the European area of higher education and to promote the European system of higher education and to promote the European system of higher education world-wide:

Adoption of a system of easily readable and comparable degrees, also through the implementation of the Diploma Supplement, in order to promote European citizens' employability and the international competitiveness of the European higher education system.

Adoption of a system essentially based on two main cycles, undergraduate and graduate. Access to the second cycle shall require successful completion of first cycle studies, lasting a minimum of three years, The degree awarded after the first cycle shall also be relevant to the European labour market as an appropriate level of qualification. The second cycle should lead to the master and/or doctorate degree as in many European countries.

Establishment of a system of credits -such as in the ECTS system- as a proper means of promoting the most widespread student mobility. Credits could also be acquired in non-higher education contexts, including lifelong learning, provided they are recognised by receiving Universities concerned.

Promotion of mobility by overcoming obstacles to the effective exercise of free movement with particular attention to:

for students, access to study and training opportunities and to related services

for teachers, researchers and administrative staff, recognition and valorisation of periods spent in a European contest researching, teaching and training, without prejudicing their statutory rights.

Promotion of European co-operation in quality assurance with a view to develop comparable criteria and methodologies.

Promotion of the necessary European dimensions in higher education, particularly with regards to curricular development, inter-institutional co-operation, mobility schemes and integrated programmes of study, training and research.

We hereby undertake to attain these objectives -within the framework of our institutional competencies and taking full respect of the diversity of cultures, languages, national education systems and of University autonomy- to consolidate the European area of higher education. To that end, we will pursue the ways of intergovernmental co-operation, together with those of non governmental European organisations with competence of higher education. We expect Universities to again respond promptly and positively and to contribute actively to the success of our endeavour.

Convinced that the establishment of the European area of higher education requires constant support, supervision and adaptation to the continuously evolving need, we decide to meet again within two years in order to assess the progress achieved and the new steps to be taken.

X
 
vzw-Bachelor.be hoofdmenu