| X | ||||
| X |
In de picture van Bachelors Ik leerde als tiener handel drijven
Guido Dumarey (43) was drie jaar toen zijn vader kwam te overlijden. Die baatte, samen met zijn broer, twee steenbakkerijen uit aan de Vlaamse kust – één in Knokke-Heist, de andere in Oostende. Op een gore decembernacht werd hij aangereden door een dronkenlap, de moeder – een Nederlandse boerendochter afkomstig uit Sluis – bleef achter met twee zoontjes. Guido was de jongste. "Moeder heeft dan een verstandige beslissing genomen," vertelt hij. "Samen met onze oom heeft zij besloten de zaak te verkopen – mijn vader deed de productie en met hem verdween de specifieke familiale expertise. Daaraan hield zij genoeg over om ons fatsoenlijk groot te brengen." Dat wilde niet zeggen dat er met geld gesmeten werd: "Mijn moeder was net als mijn vader van middenstandersafkomst. Dat wil zeggen: zelfs als je geld hebt, dan wil dat nog niet zeggen dat je daarmee gaat gooien – dat kan ik vandaag nog altijd niet." Hij lacht kwajongensachtig, "dat zit in de genen, vermoed ik." Integendeel, de weduwe bleef zelf actief in het zakenleven. "Met haar zus baatte zij een grenswisselkantoor en douaneagentschap uit. Ik heb haar nooit iets anders weten doen dan werken. Zij was heel zorgelijk van nature en heeft het overlijden van mijn vader eigenlijk nooit echt verwerkt, ik haar nooit zien stralen behalve op een oude foto van een feest met mijn vader. Altijd maar werken en zorgen en werken." Als 'commerçant' geboren Guido Dumarey zelf werd door het ouderlijke voorbeeld gebeten. Op school was hij weliswaar een speelvogel en dus evolueerde hij van Algemeen Secundair naar Technisch Secundair en vandaar naar Industriële Wetenschappen en graduaat Automechanica. Een studierichting die hij met vlot gemakkelijk afhaspelde bij de KATHO departement VHTI. In zijn vrije tijd was hij echter een West-Vlaams werkpaard. "En een 'commerçant!'" zegt hij trots. "Ik was elf toen ik begon te klussen. In Sluis. Ik kende een boer die een braakliggend stuk grond had, vlak bij het centrum. Op alle vrije dagen was het daar een komen en gaan van Belgische toeristen, die daar onder andere 'couponnekes' kwamen knippen op de bank. Ik maakte met de boer een akkoord en verhuurde zijn terrein als parking. De mensen kregen geen parkeerboetes, de wagens waren bewaakt, ik waste desnoods de ruiten. Ik verdiende er gemakkelijk duizend frank op een namiddag. Vlakbij was er een garage. Daar hielp ik de pomp bedienen, ik leerde er alles kennen van motoren, van onderhoud van wagens. Toen ik zestien was zat ik meer in de garage dan thuis – races rijden is trouwens nog steeds mijn hobby." "Mijn moeder werd ongerust, mijn leraars waarschuwden: 'Dit loopt verkeerd af.' Wat bleek? Toen ik achttien was had ik – geloof het of niet – één miljoen frank op de bank. Ik had die centen al die jaren aan mijn moeder afgegeven, ik deed het niet voor de knikkers maar voor het spel. En zij had die voor mij op de bank gezet. Tegelijkertijd had ik geen zin meer in studeren." Dat kon echter niet. "Ik stam uit een familie waar het zeer ongebruikelijk is als je niet naar de universiteit gaat, en liefst dan nog om een vrij beroep te gaan uitoefenen. Mijn broer studeerde burgerlijk ingenieur en zou er achteraf nog een MBA bij Vlerick bovenop doen. Dat prikkelde mij, dus wat deed ik?" Hij lacht weer – weer die gulle, aanstekelijke lach van de levensgenieter. "Ik vond dat ik ineens maar geneeskunde moest doen. Met mijn diploma TSO Industriële Wetenschappen op zak begon ik eerste kandidatuur. Dat werd natuurlijk een flop van jewelste. Toen wist ik het wel. Ik besloot nooit meer iets tegen mijn zin te doen en begon mijn graduaat Automechanica." Met dat diploma op zak ging hij solliciteren. Hij kon starten bij Michelin voor een technisch commerciële functie. Hij kreeg negen maanden opleiding, ging daarna zes maanden aan de slag als verkoper en kreeg snel alweer zin om op eigen poten te staan. Hij vatte het idee op een eigen Bandencentrale te beginnen in Zeebrugge, en Michelin wilde hem daarin wel steunen. Omdat hij nog wat extra kapitaal nodig had, benaderde hij enkele familievrienden en die wezen hem op een andere mogelijkheid. Gokken op de winst Een soort 'peetvader' van de familie, fiscaal adviseur Freddy Gysel, participeerde in een bedrijfje voor het bedrukken van glas voor onder andere radioschermen in Gent, Impriver, dat over de kop was gegaan. De nieuwe vennootschap New Impriver, was moeizaam gestart met kapitaal van een vijftal aandeelhouders die geen van alle actief waren op het terrein. Zij draaide in 1982 een omzet van zo'n 15 miljoen en maakte alweer een verlies van meer dan een miljoen op jaarbasis. Een nieuw faillissement dreigde. Daarop vroeg de familievriend de jonge snaak – die hij al lang in de gaten hield – om de zaak voor hem over te nemen, samen met zijn oudere broer met het indrukwekkende ingenieurs- en managementdiploma. Zijn broer zou voor de technologische aanpak zorgen, hijzelf voor de commerciële dynamiek. "Het was een risico. Ik stelde voor te beginnen aan een relatief laag loon op voorwaarde dat wij samen – mijn broer en ik – de helft zouden krijgen van elke frank winst die wij boekten. De aandeelhouders hadden niets meer te verliezen en gingen akkoord. We begonnen in september 1983. Mijn broer oriënteerde ons meteen op een meer gesofistikeerde aanpak die we toch nog met de bestaande installaties aankonden, plaatbewerking op hoog niveau en industriële zeefdruk. Ik haalde meteen enkele klanten binnen, IBM, Philips, die dit soort nevenklussen uitbesteedden. Dat jaar draaiden we al break-even met een omzet van 17 miljoen. In 1984 haalden we dik vier miljoen binnen op een omzet van 37 miljoen. Het vertrouwen was er." "In 1985 kwam er dan een nieuwe wetgeving op signalisatie voor vrachtwagens. Ik kreeg de zaak snel in het snotje, mijn broer ontwierp een prototype. Wij overtuigden de aandeelhouders ervan nog maar eens twintig miljoen te riskeren, en kochten daarmee de basisgrondstof aan. Eén van de grootste autoverdelers van ons land plaatste een bestelling van zestig miljoen. Dat jaar draaiden we dik honderd miljoen, met een winst van 33 miljoen." In 1989 deed er zich een nieuwe kans voor: Philips-Brugge diende in ijltempo een gigantische partij luidsprekers voor stereoketens over te schakelen van een analoge naar digitale module. De technische oplossing was voorhanden, maar de productieafdeling zag de operatie niet ingepast te krijgen. De 'peetvader' van de gebroeders Dumarey kreeg weet van de zaak en zette zijn pupillen aan het werk. "In geen tijd wisten we zestig miljoen samen te brengen om te investeren in een nieuwe productielijn in een nieuw bedrijf in Evergem dat we Punch noemden. We werkten de order bijtijds af en deden een gouden zaak. We hadden tachtig miljoen verdiend én we waren gelanceerd als toeleveraar voor aanmaak van onderdelen van de elektronicasector." Het familiale voorbij "We kregen klanten als Barco, Caterpillar, Agfa-Gevaert over de vloer, openden een productie-eenheid in Ieper en Evergem en het Franse Dreux. Tussen 1988 en 1991 steeg onze omzet van nog geen tweehonderd naar bijna zevenhonderd miljoen. Dat bleef maar groeien. Philips sloot zijn afdeling in Leuven, we namen de gereedschapsmakerij Mill Masters over. Dat bleek een sprong te ver: binnen onze manier van werken, snel en flexibel leveren van grote orders met lage toegevoegde waarde, werden de loonkosten in ons land een serieuze handicap." Daarom keken de broers vanaf 1994 naar het Oostblok. Een fabriek dat door Grundig werd gesloten in Duitsland, werd opnieuw opgebouwd in Slovakije. Het werd Guido Dumareys broer Walter echter allemaal te veel, het ging te snel, de broers gingen uit elkaar. Guido duwt nu in zijn eentje door, steeds hoger, steeds verder, tot en met de parel van Flanders Technology, het failliete Xeikon. Daarbij wordt hij nog steeds gesteund door de 'peetvader' van indertijd. "Er zit een logica in het traject dat ik achter de rug heb tot nu toe," vertelt hij. "Je begint met kleine klusjes voor grote bedrijven, begint dan componenten te leveren, daarna complete productielijnen over te nemen voor afgewerkte producten. Al de grote ondernemingen in de elektronica worden meer en meer kenniscentra die aan ontwikkeling doen en marketing, maar de productie uitbesteden. Wij hebben productielijnen waar de ene dag gedraaid wordt voor Philips, de volgende dag voor Sony, daarna voor Panasonic, telkens met andere specificaties, maar wel in één en hetzelfde fabriek. De volgende stap is dat we op onze beurt meer technische onderdelen gaan maken. Maar zo'n groei hou je niet in de hand als je binnen de geplogenheden blijft van een familiebedrijf." Kan hij dat even verduidelijken? "Ach, zo moeilijk is dat niet, wat is typisch voor een familiebedrijf? Dat je regelmatig als een iets 'onder elkaar' regelt. Maar daardoor kunnen zich slechte gewoontes installeren. Dat gaat soms om iets onbenulligs. In één van onze vestigingen ging de echtgenote van een personeelslid op piekmomenten aan de slag als poetsvrouw, maar ze stond niet ingeschreven op de loonlijst. De arbeidsinspectie valt daarover en lap, je hebt een verhoudingsgewijze zeer zware boete op je nek. Ik wilde dat niet meer, ik wilde professionaliseren en naar de beurs. Mijn broer was, vanuit zijn managementachtergrond, ook niet voor die praktijken maar dat ik zo snel wilde gaan, dat stak hem tegen – ik wil leven, niet alleen werken, stelde hij. Dus hebben we de zaak in tweeën gedaan en ik ben met mijn deel naar de beurs getrokken om de verdere groei te financieren." De overname van Xeikon, in precies die printing-industrie waar alles mee begonnen was, door wat van oorsprong slechts een bricoleur leek te zijn, is dus nergens onlogisch. "Het wordt tijd dat we de stap zetten van louter en alleen productie naar kennis," zegt Guido Dumarey vol zelfvertrouwen. "Van Xeikon is iets mooi te maken. Natuurlijk, zo'n bedrijf is over het paard getild, met als gevolg een onverantwoord grote overhead. Knip die weg, breng de ambities terug tot realistische proporties, en je hebt dat in de kortste keren weer drijvend. Precies daarin zijn we goed, zo is de afgelopen jaren gebleken: de high tech-sector benaderd vanuit de mentaliteit van een West-Vlaamse KMO, met kostenbewustzijn, praktische zin en gezond verstand." Geen ingenieurscultuur Als een graduaat, kortom? Hij denkt na. "Geloof het of niet, maar ik ben tevreden dat ik geen universiteit heb gedaan. Had ik ingenieur kunnen worden, indien er die stommiteit met geneeskunde niet was geweest? Het zou hoogmoedig van mij zijn te zeggen dat ik dat gekund had, maar ik geloof niet dat ik er mijn voordeel mee had gedaan. Ik heb dat ondervonden met mijn broer. Die man is heel slim, maar mist precies daardoor de boot naar mijn gevoelen. Hij leeft boven het gewone volk, niet met het volk, en hij hoort daarom ook niet wat echt belangrijk is. Ik van mijn kant, ik heb leren luisteren toen ik op die weide de auto's hun plaatsen toewees: wie maar korte tijd zou blijven zette ik vooraan, zodat ik dezelfde parkingplaats verschillende keren kon benutten op een namiddag. Wie een hele dag plande wees ik een plaats achteraan aan en als ik hoorde dat zij wilden dat er naar de olie werd gekeken terwijl zij afwezig waren, dan zorgde ik daarvoor. Drinkgeld ving ik altijd." "Dat geldt ook in een fabriek. Als een productielijn stilvalt, dan is het belangrijker te gaan luisteren naar de arbeiders en meestergasten op de vloer, dan in je plannen te duiken. Als je een nieuw idee wilt lanceren, dan ga je best eens luisteren naar je medewerkers om te weten wat mogelijk is en wat niet, vooraleer je een investeringsprogramma opzet. Die aanpak heb ik als graduaat geleerd, hij niet als ingenieur. Precies daarom aarzelt hij ook om de stap te zetten in een richting die hij als ingenieur net geweldig zou moeten vinden, van de low end van de elektronica naar de high end. Hij vreest dat we dat niet kunnen omdat we geen ingenieurscultuur in huis hebben. Terwijl ik denk dat het ons zal lukken precies omdat we die niet bezitten. Misschien is het mijn geluk wel geweest dat ik niet te lang wilde studeren." Ondertussen leeft zijn broer wel, terwijl hij werkt? Hij grinnikt. "Ik betwijfel dat ik niet leef. Toegegeven: ik werk hard en ben veel van huis, maar de weekends zijn voor mijn gezin – ik heb drie kinderen. Van vrijdagavond tot maandagmorgen doe ik geen zaken – hoogstens zal ik zondagavond het vliegtuig nemen als ik naar de Verenigde Staten moet. Waar ik me dan mee bezig houd? Mijn oude liefde: auto's en motoren. Ik doe nog steeds aan races rijden, onze ploeg was vorig jaar vijftiende in de 24 Uur van Zolder." Hij lacht weer erg aanstekelijk, kwajongensachtig. "Ik leef dus snel, ook in mijn vrije tijd, maar ik leef. Reken maar!" IMEDIAIR - DURVEN SLAGEN - 20/03/2002 - EDDY DANIELS |
X |
||
|