TOESPRAAK MINISTER
VANDENBROUCKE:
donderdag 13 maart 2008
Heverlee, KHLeuven,
Officiële opening Campus
Hertogstraat
Professioneel hoger onderwijs en het bedrijfsleven: natuurlijke partners
Mijnheer de
voorzitter,
Mijnheer de algemeen
directeur,
Geachte genodigden,
Dames en heren,
(professioneel onderwijs)
"Het onderwijs" slaat in dit geval op het professioneel gericht hoger onderwijs. In de wereld van het hoger onderwijs is het duidelijk wat we daarmee bedoelen. Ik kom daar zo dadelijk nog op terug.Maar wie minder vertrouwd is met het jargon van het hoger onderwijs, denkt misschien eerder aan die andere betekenis van "professioneel" – in de zin van "gemaakt door vaklui, gemaakt door professionals". Het bijvoeglijk naamwoord "professioneel" wordt dan als het ware een keurmerk op zich, een bewijs van de kwaliteit van het onderwijs. En laat het toeval nu willen dat de KHLeuven alléén maar professioneel onderwijs aanbiedt! Ik neem aan dat u die spontane connotatie best wel genegen bent, ook al was die niet bedoeld.
Luidens het Structuurdecreet houdt professioneel gericht hoger onderwijs in dat "de opleidingen gericht zijn op de algemene vorming en de verwerving van professionele kennis en competenties, gestoeld op de toepassing van wetenschappelijke of artistieke kennis, creativiteit en praktijkkennis." "Meer in het bijzonder," zo gaat de definitie verder, "hebben professioneel gerichte bacheloropleidingen tot doel de studenten te brengen tot een niveau van algemene en specifieke kennis en competenties nodig voor de zelfstandige uitoefening van een beroep of groep van beroepen."Verder in het Structuurdecreet krijgt die algemene definitie een vertaling in een reeks doelstellingen, die elke opleiding in het hoger professioneel onderwijs moet nastreven. Zo vermeldt één van die doelstellingen "het beheersen van algemene beroepsgerichte competenties als
- teamgericht kunnen werken,
- oplossingsgericht kunnen werken in de zin van het zelfstandig kunnen definiëren en analyseren van complexe probleemsituaties in de beroepspraktijk en het kunnen ontwikkelen en toepassen van zinvolle oplossingsstrategieën, en
- het besef van maatschappelijke verantwoordelijkheid samenhangend met de beroepspraktijk."
Kenmerkend in deze definitie en doelstellingen is de klemtoon op de beroepspraktijk: professionele opleidingen moeten studenten ertoe brengen zelfstandig een beroep te kunnen uitoefenen, met alle vereisten die daarvoor nodig zijn.
Arbeidsmarkt en beroepspraktijk moeten we trouwens in hun meest ruime betekenis zien. Vandaag focussen we weliswaar op het bedrijfsleven, maar het gaat natuurlijk ook om beroepen in de social- of non-profit.Het zijn dan ook bij uitstek de opleidingen van het hoger professioneel onderwijs die studenten beroepsgerichte competenties bijbrengen. Dit in tegenstelling tot de academische opleidingen van het hoger onderwijs, die zich richten op de ontwikkeling van wetenschappelijke competenties en waarvan de bacheloropleidingen eerder mikken op de doorstroom naar een masteropleiding in plaats van op uitstroom naar de arbeidsmarkt.
Is een academische bachelor daarom meer waard dan een professionele? Absoluut niet. Het omgekeerde geldt trouwens evenmin. In de kwalificatiestructuur die we momenteel ontwikkelen, komen beide types dan ook op hetzelfde niveau zes terecht. Het onderscheid zit in het profiel, niet in het niveau.Toch zal de arbeidsmarkt ongetwijfeld anders tegen de verschillende bachelors aankijken. De academische bachelor is al bij al toch een nieuw opleidingstype, zonder directe voorganger in de structuren van vóór de bama-hervormingen het hoger onderwijs. En hoewel die academische bachelor evengoed tot een volwaardig diploma leidt – wat de kandidatuur in de oude structuren overigens niet deed – verwachten we toch dat zo'n academisch bachelordiploma vooral een entreekaartje voor de master is.
Een beetje oneerbiedig zou je kunnen zeggen dat de academische bachelor over het algemeen eigenlijk niet klaar is om de arbeidsmarkt te betreden, of althans niet in staat is die toegevoegde waarde te bieden die we van de professionele bachelor enerzijds en van de master anderzijds wél verwachten. Vandaar ook de bewuste keuze bij de hervorming van de lerarenopleidingen om de deur van die opleiding níet open te zetten voor de academische bachelors.Die terughoudendheid geldt niet ten aanzien van de bachelors van het professioneel gericht hoger onderwijs. Van de professionele bachelors, de vertrouwde én gewaardeerde erfgenamen van de vroegere graduaten, weten werkgevers immers dat die in principe meteen inzetbaar zijn. Vandaar ook de titel van mijn toespraak: het professioneel onderwijs en het bedrijfsleven zijn natuurlijke partners. En niet alleen voor de toekomst: ze zijn het vandaag ook al.
(professionele bachelors op de arbeidsmarkt)Dames en heren,
Dat is de theorie. Wordt die bevestigd door de praktijk? Zo te zien wel.Uit het jaarlijkse onderzoek van de VDAB naar werkzoekende schoolverlaters blijkt dat de professionele bachelors na het verlaten van de schoolbanken de grootste kans hebben om op de arbeidsmarkt aan de slag te zijn: slechts 6,4% had een jaar na afstuderen geen werk. Geen enkel ander onderwijsniveau presteert beter, ook niet de academische opleidingen.[1]
Het meest sprekende voorbeeld van die succesvolle overgang naar de arbeidsmarkt, en dat zal u niet verbazen, zijn natuurlijk de opleidingen binnen het studiegebied Gezondheidszorg. Daar vindt haast iederéén meteen werk.[2]Maar ook de opleidingen van deze campus scoren prima. Het studiegebied Handelswetenschappen en bedrijfskunde, waartoe de opleidingen bedrijfsmanagement en office management behoren, levert over heel Vlaanderen dan wel een derde van alle professioneel gerichte bachelordiploma's af, maar dat grote aantal afgestudeerden betekent helemaal niet dat het dringen wordt op de arbeidsmarkt.[3]
Met 7,5% is het restpercentage voor het minder conjunctuurgevoelige studiegebied Onderwijs dan weer iets minder goed dan het gemiddelde bij de professionele bachelors, maar wel nog altijd vergelijkbaar met dat voor de academische opleidingen.[4]Dat 93% van de afgestudeerden van de KHLeuven meteen werk vindt, terwijl de rest… nog even vakantie neemt, is dus niet alleen een leuke reclameslogan, maar lijkt ook niet al te ver af te staan van de realiteit.
(afstemming onderwijs – arbeidsmarkt)Dames en heren,
Niemand moet eraan twijfelen: het professioneel gericht hoger onderwijs, dat zijn opleidingen met een eigen profiel, waarvan de afgestudeerden vlot de weg naar de arbeidsmarkt vinden. Die boodschap mag gerust in de verf gezet worden.Daar houdt het verhaal echter niet op. Urbain Vandeurzen heeft het daarnet gehad over de verwachtingen van het bedrijfsleven ten aanzien van het professioneel onderwijs. Precies vanwege de gerichtheid van het professioneel onderwijs, en dan verwijs ik naar de passages uit het structuurdecreet hoger onderwijs die ik daarnet aangehaald heb, zijn dat legitieme verwachtingen.
Waarmee ik overigens niet gezegd heb dat het professioneel onderwijs geheel en al ten dienste van het bedrijfsleven zou moeten staan. Laat daar geen misverstand over bestaan: ook het professioneel onderwijs heeft een algemeen vormende waarde en hoort mensen competenties bij te brengen die níet bijdragen tot een verhoogde productiviteit of economisch kapitaal. Dat zit trouwens – bewust – ingebakken in de decretale opdracht.Maar als het professioneel onderwijs zijn naam waar wil maken, als het zijn studenten met echt waardevolle diploma's wil laten afstuderen, dan moet het ook steeds een blik op de arbeidsmarkt houden. Dat klinkt vanzelfsprekend, maar in de praktische toepassing blijkt die blik vaak nog te eng gefocust, of wordt-ie te vlug afgewend.
Vandaar: raadpleeg niet alleen de onderwijsexperts bij curriculumveranderingen, maar ook het werkveld. Zorg dat de stem van de sectoren op de een of de andere manier weerklinkt in de opleidingscommissies. Luister goed naar de stagebegeleiders. En organiseer niet alleen voor de studenten stages, maar ook voor het onderwijzend personeel als dat niet met één been in de praktijk staat. Hou contact met de alumni. Waar komen ze terecht? Wat hebben ze gemist in hun opleiding? Welke vernieuwingen kunnen ze je signaleren?Want het beroepenveld is een bron van onschatbare informatie, die de hogescholen nog meer zouden moeten aanboren. Urbain Vandeurzen zal het daarmee eens zijn. Net zoals hij het ermee eens zal zijn dat de liefde niet van één kant kan komen. Want de bedrijfswereld kan niet verwachten dat de hogescholen perfect opgeleide bachelors klaarstomen, als de sectoren zelf niet bereid zijn om mee te investeren in de opleiding van die studenten. Ook hier wijst de praktijk uit dat dit in het ene geval al meer vanzelfsprekend is dan in het andere.
(naar een nog betere afstemming)Dames en heren,
Het is één zaak om de inhoud van de opleidingen op de arbeidsmarkt af te stemmen en die afstemming voortdurend te verfijnen. Maar daarnaast zijn er nog een paar andere kwesties. Voldoet de uitstroom ook in kwantitatief opzicht aan de vragen van de arbeidsmarkt? Beantwoorden de huidige opleidingen qua niveau en profiel voldoende aan de vragen van de arbeidsmarkt naar vaak diverse talenten? En voldoet de huidige opleidingenstructuur om het potentieel aan talent in onze samenleving volledig tot ontwikkeling te brengen?De cijfers van de schoolverlatersstudie geven eigenlijk meteen al het antwoord op de eerste vraag. Voor verschillende beroepen voldoet het aantal afgestudeerden nu al niet om op de vraag van de arbeidsmarkt te kunnen inspelen. Bepaalde maatschappelijke evoluties dreigen die schaarste bij ongewijzigd beleid verder aan te scherpen. Als minister van Werk ben ik me daarvan goed bewust.
(de tienkamp voor gelijke kansen op uitstekend onderwijs)Maar tegelijk stel ik als onderwijsminister vast dat nog te veel talent onbenut blijft. Te veel jongeren blijven onderweg op de onderwijsladder steken, terwijl ze eigenlijk nog wel een paar sporten hoger zouden kunnen geraken. In deze context denk ik dan aan het vele onnodige falen van studenten door een foute studiekeuze, onvoldoende begeleiding, een onaangepaste attitude, bepaalde ontbrekende startcompetenties zoals een goede beheersing van het (academisch) Nederlands, enzovoort. Zaken waaraan we in principe kunnen verhelpen.
Ik denk ook aan de sociaal-economische vertekening: de samenstelling van onze studentenpopulatie biedt op dat vlak helemaal geen getrouwe weerspiegeling van de wereld buiten het hoger onderwijs. Die sociaal-economische ongelijkheid valt moeilijker te verhelpen, althans vanuit het onderwijs. Maar we kunnen ons onderwijs wél zo proberen inrichten dat we die ongelijkheden op de schoolbanken en in de aula's zo veel mogelijk uitvlakken, in plaats van ze verder te versterken.Ik besef dat dit gemakkelijker gezegd dan gedaan is. Het vergt serieuze inspanningen van álle betrokkenen, op álle sporten van de onderwijsladder. Daarom vind ik het beeld van de tienkamp zo treffend: een tienkamp voor gelijke kansen op uitstekend onderwijs, voor iederéén.[5]
Een makkie wordt dat niet – wie in het voorbije weekend Tia Hellebaut op televisie gezien heeft (en dat was een vijfkamp!), weet dat een meerkamp onder andere draait om latten op eenzame hoogte en krappe tijdslimieten. En dat één geïsoleerde uitschieter niet volstaat om de rest van de koers met de vingers in de neus uit te lopen. Maar het voorbeeld van onze kersverse wereldkampioene bewijst ook dat volgehouden inspanning lóónt.Laat dat meteen ook een boodschap zijn aan zij die al te eenzijdig pleiten voor (het importeren van) gemakkelijke oplossingen, in plaats van de moeite te doen om ook de talenten in onze onmiddellijke nabijheid aan te boren. Ook al loopt dat laatste inderdaad niet van een leien dakje.
(tweede democratiseringsgolf)Specifiek voor wat het hoger onderwijs betreft, moet die tienkamp voor mij uitmonden in een tweede democratiseringsgolf van het hoger onderwijs. We moeten het aantal studenten in het hoger onderwijs doen stijgen, we moeten vooral de participatie bij minder vertegenwoordigde groepen sterk opdrijven én we moeten de kansen op studiesucces verbeteren. Zodat ieder talent in ons onderwijs de kans krijgt zich te ontplooien naar zijn of haar mogelijkheden, in de opleiding die het best bij hem of haar past.
Dat zijn uitdagingen die ik ook heb ingebouwd in het nieuwe financieringssysteem voor het hoger onderwijs en het bijhorende aanmoedigingsfonds – onderdelen van proeven één en negen van mijn tienkamp. Het Vlaams Parlement heeft vorige week zijn definitieve goedkeuring gehecht aan het financieringsdecreet. Met genoegen stel ik vast dat het decreet te velde al "leeft" en dat de boodschap begrepen is. Zo zag ik op de site van de KHLeuven, om een concrete en nabije good practice te nemen, dat onlangs nog een vacature is uitgeschreven voor een medewerker op het project ter verbetering van de instroom en doorstroom van allochtone jongeren in het hoger onderwijs.(hoger beroepsonderwijs)
Dames en heren,Ik vroeg me daarnet ook af of de huidige opleidingen qua niveau en profiel voldoende beantwoorden aan de vragen van de arbeidsmarkt naar vaak diverse talenten. En of de huidige opleidingenstructuur voldoet om het potentieel aan talent in onze samenleving volledig tot ontwikkeling te brengen.
Ik vrees dat we op dit ogenblik negatief moeten antwoorden op die vragen. Vandaar dat ik mijn tienkamp ook ruimte heb voorzien om een nieuwe sport in de onderwijsladder in te bouwen: het hoger beroepsonderwijs of hbo.Het hoger beroepsonderwijs is op de eerste plaats bedoeld om in te spelen op de behoeften van al wie na het secundair onderwijs via korte trajecten een beroepskwalificatie wil verwerven. Dit nieuwe onderwijsniveau vindt dus zijn plaats tussen het secundair onderwijs en de bacheloropleidingen. Het bestaat uit op te richten en bestaande studierichtingen, die een duidelijke extra meegeven voor de arbeidsmarkt: het vroegere hoger onderwijs voor sociale promotie (HOSP), de zevende jaren in het technisch secundair onderwijs en de vierde graad beroepssecundair onderwijs, en alle nieuwe opleidingen die op voorstel van instellingen én met instemming van de arbeidsmarkt daaraan kunnen worden toegevoegd.
Met het hoger beroepsonderwijs bouwen we dus een stevige sport bij op de onderwijsladder. We moeten immers vermijden dat de sporten zó ver uit elkaar komen te staan, dat sommige mensen hun klim op de onderwijsladder te vroeg stoppen, of onmogelijke toeren moeten uithalen om een trede hoger te geraken.Eerder heb ik over het hoger beroepsonderwijs een discussienota verspreid. Daar zijn talrijke reacties op gekomen, ook vanuit de hogescholen. Ook bij de decretale uitwerking en uiteraard bij de uitrol van het hbo hoop ik op die constructieve houding te mogen blijven rekenen.
(conclusie)Dames en heren,
Het wordt stilaan tijd om af te ronden. Ik kom nog eens terug op de schoolverlatersstudie van de VDAB. Die stelt duidelijk dat een keuze voor het hoger onderwijs, een keuze voor de toekomst is. Het aandeel werkzoekenden met een hoger onderwijsdiploma was bij het recentste onderzoek lager dan ooit, en bovendien was ook het aantal werkzoekenden gedaald dat in het eerste jaar na afstuderen geen enkele werkervaring heeft opgedaan.De arbeidsmarkt rekent dus echt wel op de instroom van hooggeschoolden. Onze samenleving heeft die broodnodig. En bijgevolg is investeren in hoger onderwijs broodnodig. De investering die de KHLeuven in dit mooie gebouw heeft gedaan, maar ook in haar andere campussen, getuigt van haar geloof in die opdracht voor het hoger onderwijs en in de rol die deze hogeschool daarin te vervullen heeft. Wat mij betreft, zit de KHLeuven daarmee op het goede spoor.
Ik dank u.[1]bron: VDAB, "Werkzoekende schoolverlaters in Vlaanderen. 22ste schoolverlatersstudie 2005-2006", op http://vdab.be/trends/schoolverlaters/schoolv2006.pdf
[2]In het studiegebied gezondheidszorg is er een restpercentage van 1,9% werkzoekende schoolverlaters één jaar na afstuderen. Voor verschillende afstudeerrichtingen binnen de opleiding verpleegkunde binnen dat studiegebied bedraagt het restpercentage 0%.
[3]Restpercentage in het studiegebied HWBK is 6,0%.
[4]Voor de academiserende opleidingen in de hogescholen is het restpercentage 8,7%. Architectuur, Gezondheidszorg en Industriële wetenschappen & technologie zijn daar de uitschieters in positieve zin; de kunstopleidingen halen het gemiddelde naar beneden (met een restpercentage van 25,2% voor Audiovisuele en beeldende kunsten). Bij de academische opleidingen aan de universiteiten is het gemiddelde restpercentage 7,2%. De meeste bèta- en gamma-opleidingen zitten onder dat gemiddelde, de meeste alfa's erboven.
[5]Zie www.vandenbroucke.com > tienkamp.
